Woensdag 06 juni 2007 | Paul Brassé
‘In het algemeen vind ik allochtonen vriendelijk’ en ‘Verreweg de meeste moslims willen zich aanpassen aan de Nederlandse samenleving’. Deze en andere stellingen en vragen zijn voorgelegd aan 310 autochtonen in 'Taking too much for granted?', de publicatie van Carabain. De antwoorden van de respondenten zijn niet terug te vinden in het onderzoek. Wel heeft Carabain doorgevraagd naar wat ze precies bedoelden met hun antwoorden.
Het bijzondere van het onderzoek van Carabain is dat het is opgezet om een drietal aannames te testen waarvan sociaal-psychologen doorgaans uitgaan bij het meten van attitudes. Een belangrijke daarvan is dat mensen aan een onderwerp, ofwel attitudeobject, een eensluidende betekenis toekennen. Maar is dat wel zo?
Een deel van de respondenten kreeg de stelling voorgelegd Verreweg de meeste allochtonen houden zich afzijdig van de Nederlandse samenleving. Nadat ze antwoord hadden gegeven, werd gevraagd wat zij onder ‘allochtonen’ verstonden. Toen bleek dat achter deze term zeer verschillende groepen schuil gingen, variërend van Turken of Marokkanen (door 2/3 genoemd) tot Arabieren, Aziaten, westerse immigranten en buitenlanders.
Bovendien kan het referentiekader wisselen tijdens de beantwoording van de vragenlijst. Zo blijkt de groep respondenten die dezelfde vragenlijst krijgt voorgelegd, maar waarin de term allochtonen is vervangen door moslims, desgevraagd onderscheid te maken tussen gematigde en fundamentalistische moslims. Indien men niet steeds dezelfde subgroep c.q. gematigde of fundamentalistische moslims in gedachten heeft bij het beantwoorden van de vragen, zullen er meetproblemen ontstaan en is de validiteit van het onderzoek in gevaar.
Carabain heeft ook onderzocht hoe respondenten die contrasterende beelden hebben over een object (bijvoorbeeld dat ze gematigde van radicale moslims onderscheiden) omgaan met gesloten vragen. Indien zij als antwoordmogelijkheden kunnen kiezen tussen helemaal eens tot helemaal niet mee eens op een 5-puntsschaal, blijken zij vaker voor de gematigde, dat wil zeggen middelste, antwoordcategorieën te kiezen. Terwijl onderzoekers daaruit af zouden kunnen leiden dat deze respondenten geen uitgesproken mening over dit onderwerp hebben, kunnen ze in werkelijkheid sterke meningen hebben, maar over twee verschillende subgroepen.
Om de meningen van groepen mensen te meten, stellen wetenschappers zelden open vragen, zoals Wat vindt u van…? De antwoorden op die vragen zullen immers sterk uiteenlopen, laten zich daardoor lastig verwerken en kunnen maar moeilijk in cijfers worden gevangen. In plaats daarvan kiezen onderzoekers ervoor om stellingen of gesloten vragen aan geselecteerde groepen respondenten voor te leggen. Die kunnen vervolgens kiezen uit een beperkt aantal antwoorden, zoals ‘ja/nee’ of ‘eens/oneens’.
Een tak in de psychologie, de discursieve psychologie, stelt dat meningen onderdeel zijn van een bredere conversatie en debat. Er bestaat in deze traditie geen ‘ware opvatting’, en opvattingen zijn evenmin consistent en worden steeds aan de situatie aangepast. Bovendien is het uitspreken van opvattingen een sociaal proces, en draagt de toehoorder bij aan de verwoording van de opvatting. Volgens discursieve psychologen heeft het geen zin om meningen en opvattingen van mensen te bestuderen en te begrijpen los van hun context, los van het verhaal.
Zover wil Carabain echter niet gaan, immers dat zou het failliet betekenen van het doorsnee-opinieonderzoek. Zij suggereert haar vakbroeders om naast gesloten ook open vragen op te nemen in de vragenlijst, omdat die een check mogelijk maken op de antwoorden van de respondenten.
Overigens promoveerde Gerben Westerhof in 1994 op een gelijksoortig onderwerp: ook hij onderzocht de assumpties van surveys naar – politieke – attitudes, ook hij is van mening dat open vragen een alternatief kunnen zijn. Maar in tegenstelling tot Carabain ziet hij wel oplossingen in de aanpassing van de vragenlijsten. Het is jammer dat Carabain niet voortbouwt op of zelfs niet refereert aan dit onderzoek.
Christine L. Carabain, Taking too much for granted? A study on the measurement of social attitudes. Amsterdam, 2007.
Gerben Westerhof, Statements and stories.Towards a new methodoloy of attitude research.Theses Publishers, Amsterdam, 1994