Donderdag 19 juli 2007 | Redactie Wereldjournalisten | Reacties: 3
De ophef over de suggestie van minister Vogelaar dat Nederland in de toekomst wellicht zal spreken van zijn joods-christelijk-islamitische traditie wijst erop dat het begrip ‘joods-christelijke traditie’ een nieuwe betekenis heeft gekregen. In theologische zin duidt het begrip al eeuwenlang op de wortels van het christendom in het jodendom.
In de vorige eeuw, met name na de Tweede Wereldoorlog is het begrip ook in het maatschappelijk debat een tijd in zwang geweest, niet om naar religieuze tradities te verwijzen, maar naar de bijdrage die joden sinds eeuwen geleverd hebben aan de ontwikkeling van de Nederlandse maatschappij. De laatste jaren duikt de term vaak weer op, zij het met een andere lading. In plaats van insluiting gaat het nu over uitsluiting: door te zeggen wie tot ‘onze traditie’ behoort, geef je immers impliciet aan wie daar niet bij horen: moslims bijvoorbeeld.
'Onze' waarden & normen
De grote aantallen moslims die in de jaren zestig naar hier kwamen hebben onmiskenbaar een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van Nederland. In de huidige discussie gaat het echter om iets anders. Zij die protesteren tegen Vogelaars uitspraak zien moslims niet als veelzijdige burgers maar slechts als vertegenwoordigers van de islam. De ophef hangt vooral samen met de onterechte opvatting dat islamitische waarden en normen haaks staan op de Nederlandse waarden en normen. Verwijzen naar ‘onze waarden & normen’ is bijna synoniem geworden voor een moeilijk onder woorden te brengen idee over ‘waar wij voor staan’. Zeggen waar je in ieder geval niet voor staat, zoals vrouwenmishandeling en invoering van de sharia, kan daarbij behulpzaam zijn.
Strikt genomen zijn normen de geschreven en ongeschreven richtlijnen die mensen hanteren om te waarborgen dat de waarden die zij koesteren worden nageleefd. Gedrag valt dus niet samen met normen, normen niet met achterliggende waarden. De neiging om alle gedrag van moslims te interpreteren in termen van ‘islamitische waarden en normen’ berust dan ook op gebrek aan inzicht. Evenmin hoeft men zich te kunnen vinden in alle normen om toch zich toch te herkennen in achterliggende waarden.
Als het over joods-christelijke tradities in Nederland gaat, lijkt men zich dat te realiseren. Niet alle praktijken en normen van verschillende christelijke of joodse stromingen zien we als ‘de Nederlandse traditie’. Te denken valt aan de SGP, waar vrouwen geen politieke functie mogen bekleden, of het bezwaar tegen inentingen tegen kinderziektes in bepaalde christelijke kringen. Door middel van de discussie over dit soort kwesties dragen dergelijke groeperingen intussen wel bij aan de de ontwikkeling van wat je de Nederlandse traditie zou kunen noemen.
Hoofddoek
Hetzelfde geldt voor moslims. De discussie over de hoofddoek gaat niet alleen over de plaats van religie in het publieke domein, maar heeft ook betrekking op het afwijzen van vrouwen als seks-object en vercommercialisering van het lichaam. De vastenmaand ramadan staat niet alleen in het teken van gehoorzaamheid aan God maar gaat ook over solidariteit, bezinning, onthaasting en relativering van de materiële kanten van het bestaan. Niet alle moslims zijn voor het dragen van hoofddoeken of nemen zelf de vasten in acht, en nog veel minder moslims zijn voor invoering van de sharia als wetstelsel. Wel hechten de meesten bijzonder aan bovenstaande achterliggende waarden en naar ik vermoed zullen ook veel niet-moslims die onderschrijven.
Evenals uit joods-christelijke tradities, is het dus heel wel mogelijk om uit islamitische tradities waarden te putten waar Nederland voor wil staan. De verdienste van minister Vogelaar is dat zij door haar uitspraak de impliciete uitsluiting van moslims die schuilgaat in de actuele claim op onze joods-christelijke traditie heeft willen doorbreken. Zij pleit niet voor geschiedvervalsing, maar voor geschiedschrijving.
Marjo Buitelaar is universitair hoofddocent Antropologie van moslimculturen aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Dit (licht bewerkte) artikel is eerder in NRC Handelsblad op 17 juli jl. gepubliceerd en is met toestemming van de auteur overgenomen.
hatice abla seninle gurur duyuyom:D
ik ben inmiddels geemigreerd naar Turkije en heb een huisje gekocht, heb een baan, 'n simpel maar fijn leven Mijn buren twee huizen verderop zijn zweeds en verder in de straat woont een NL's gezin en 'n Turks joods gezin dat uit Israel is geremigreerd. geen van allen heeft het idee in een land te wonen met afwijkende normen/waarden. praktijken kunnen dan soms nog zo verschillend zijn of lijken.
Eindelijk eens een objectief en positief geluid; tegenwoordig is een opmerking of artikel al negatief in het nieuws als het over islam, moslims of islamitische vrouwen gaat, en al helemaal als die drie onderwerpen in één adem genoemd worden!