Vrijdag 14 september 2007 | Vamba Sherif
Een Afrikaanse dictator roept zijn volk bijeen om getuige te zijn van de grote man die hij geworden is, de Redder van zijn volk. Om deze gelegenheid wat flair te geven, laat hij zijn lofzanger, zijn griot, als eerste aan het woord. De griot, die in het verleden met zijn kunst koningen kon maken of breken, begint: “President Koyaga, Generaal, Dictator, vandaag zullen we u lof toe zingen en dansen. We zullen de waarheid vertellen over uw daden, over uw dictatoriale handelingen, over uw ouders en uw collaborateuren. De hele waarheid over uw vuile trucjes, uw gezeik, uw leugens, uw ontelbare misdaden en liquidaties....” Dit is het begin van een van de grootste satirische boeken over dictators in Afrika. Het boek, Wachten op de wilde beesten om te stemmen, is geschreven door Ahmadou Kourouma, schrijver van Allah is niet Verplicht, en is doorspekt met bijtende satire en humor over de oorzaken van de ellende in Afrika.
Humor manifesteert zich op allerlei manieren in de Afrikaanse samenleving. Soms is het te vinden in de omgang van het ene volk met het andere, vooral bij de Mandingoes waar humor – door de griots tot kunst verheven – een belangrijke plaats inneemt in hun leven. Bij geschillen treden de griots op als bemiddelaars en met humor proberen ze beide partijen tot een lach te krijgen en zodoende een einde te brengen aan het geschil
Maar nergens in de Afrikaanse samenleving is humor zo duidelijk aanwezig als in de verhalen en avonturen van een wezen wiens naam gelijk staat aan lachen en vrolijkheid: de spin, ofwel Anansi. Hij loopt, danst, slaapt en wordt wakker met humor, en als hij een truc opvoert, zien we dat zijn gezicht helemaal verandert van het lachen. Heel West-Afrika is in de ban van dit achtpotige wezen, zelfs in Noord-Afrika en in de hele Arabische wereld worden zijn avonturen met smaak geconsumeerd (evenals in Suriname-red.). De grote Arabische schrijver Al-Jahez creëerde, geïnspireerd door Anansi zijn verhalen, zijn eigen verhaalfiguur, Oha, wiens avonturen doen denken aan Anansi.
Anansi is een wezen dat, toen hij opgepakt werd op verdenking van diefstal, zich tot de rechter richtte en sprak: “Edelachtbare, ik weet dat u mij als straf in de rivier willen gooien, waar ik of verdrink of kan worden opgegeten door krokodillen. U en de hele wereld weten hoe bang ik ben voor water, hoe ik sinds mijn geboorte zelfs nooit in de buurt van water ben geweest. We zijn vijanden van elkaar, Edelachtbare. Dus, alstublieft, verbrand me, vermink me, maar gooi mij niet in de rivier.” De rechter, die een hekel had aan Anansi omdat hij hem ooit van zijn enige vrouw had beroofd, besloot hem de hoogste straf toe te bedelen. Anansi werd in de rivier gegooid. In enkele minuten zwom Anansi naar de andere oever en draaide zich om naar de mensen, met een brede lach op zijn gezicht. Hij was de dans ontsprongen.
Talloze schrijvers hebben geprobeerd de avonturen van de spin op papier te zetten, eachter met wisselend succes. Het meest geslaagd is het werk van Bernard Dadie uit Ivoorkust. In zijn boek Zwart Kleed heeft hij geprobeerd de kunsten en vernuftigheid van de spin te vangen: zijn lach, zijn trucjes, zelfs de geluiden die hij maakt bij zijn successen. Het moest moeilijk zijn geweest alle die elementen, die bij iedere (mondelinge) vertelling een ander vorm krijgen, te vangen en weer te geven. Dat komt doordat Anansi niet alleen een aardige kerel en vriend van koningen is, maar tegelijk ook een dief, een boef, een rokkenjager, een man van excessen: hij drinkt veel, eet veel, en er zijn gevallen waarin hij God zelf uitdaagt en van hem wint met flair. Zo is Anansi.
Waar de avonturen van de spin ophouden beginnen de Afrikaanse schrijvers zelf met een poging humor te verwerken in hun boeken. Een van de bekendste boeken in dit opzicht is de roman van Ken Saro-Wiwa, de Nigeriaanse schrijver en activist die vermoord werd door Sani Abacha, de Nigeriaanse dictator. Het boek Soza Boy, vertelt het verhaal van een naïeve jonge man ten tijde van de Nigeriaanse burgeroorlog in de jaren zestig. Hij gaat het leger in om respect te verdienen of af te dwingen, maar bovenal om indruk te maken op een meisje. Hij is naïef, zijn gedrag doet soms denken aan een andere groot naïef figuur uit de wereldliteratuur, De Goede Soldaat Sweik van Jaroslav Hasek. Beiden hebben hun eigen redenen om zich te gedragen zoals ze doen en wat steeds grappig overkomt. Maar in deze grappen schuilen pijnlijke waarheden. In beide werken is eigenlijk te lezen hoe de schrijvers zijn omgegaan met de wreedheid van oorlog en tegenover elkaar staande mensen. In het geval van Saro-Wiwa, begint zijn roman als een aanklacht tegen corruptie. Juist in een land waar de corruptie begint bij de eenvoudige politieman op straat en eindigt bij de president.
Schrijvers zoals Kourouma, Achebe, Soyinka en vele anderen hebben, bewust van de rol en het belang van humor, gretig gebruik gemaakt van humor in hun werk. Ze deden dat door de waarheid te verbloemen, te omzeilen, of te vangen in een web dat kunst heet. “We hebben kunst”, schreef Nietzsche, “zodat we niet vernietigd kunnen worden door de waarheid.” Anansi zou het anders gezegd hebben: “Aan de kant meneer de besnorde filosoof, tijd om te lachen.”