Woensdag 15 augustus 2007 | Redactie Wereldjournalisten
Joost van Bodegom (71) was 6 jaar toen hij in 1942 met zijn familie geïnterneerd werd in een kamp van de Japanse bezetter. Zijn moeder is, net als zijn vader, weliswaar van Nederlandse afkomst, maar zij is in Indonesië geboren. Van Bodegom heeft na zijn terugkeer in Nederland in 1946 zich altijd nauw verbonden gevoeld met Indonesië en de Indische gemeenschap in Nederland. Hij maakte als ‘Indisch element’ deel uit van de Raadskamer Wetten Buitengewoon Pensioen. De Raadskamer behandelt aanvragen voor verzetspensioenen van voormalige verzetsdeelnemers, ook deelnemers aan het Indische Verzet kunnen een beroep doen op deze regeling. Toen Van Bodegom werd gevraagd het voorzitterschap van de stichting op zich te nemen heeft hij daar graag ‘ja’ op gezegd. Het Indië-gevoel is niet kleurgebonden.
Van Bodegom is een man zonder bitterheid. Gevraagd naar zijn ervaring in de ‘Jappen’-kamp spreekt hij zelfs over goede herinneringen, vooral aan zijn moeder. “Mijn moeder was een ijzersterke vrouw, dankzij haar hebben we het kamp overleefd.” Het gezin werd gescheiden, jongens van boven de 10 jaar en de echtgenoten verbleven in het mannenkamp. Van Bodegom kon bij zijn moeder blijven in het vrouwenkamp. De eentonigheid van het leven werd voor de jonge Van Bodegom doorbroken door zijn taken. “Ik was kampomroeper. In het kamp woonden 2500 mensen. Zij kunnen niet tegelijk gaan eten. Dus de blokken moesten om de beurt gaan eten. Ook al was het weinig. Dus eerst blok 1, dan 2 t/m 10 en dat meestal drie keer per dag en als er soms een beetje suiker was dan ook.” Natuurlijk zijn er ook de slechte herinneringen zoals de eindeloze appèls, de ranselpartijen, de mishandelde meisjes van de fouragegroep, de ellende van de dood, zijn buurmeisje dat aan kinkhoest overleed. Maar Van Bodegom wil uit eigen bescherming daar niet te veel aan terugdenken.
Voor de geïnterneerden kwam de bevrijding feitelijk nog later dan 15 augustus 1945. “Wij hoorden pas op 24 augustus dat wij eigenlijk bevrijd waren. Maar de gevechten gingen door, maar nu tussen de Indonesische vrijheidsstrijders en Engelsen. Voor onze eigen bescherming was het beter dat we in het kamp bleven. Zo'n 30.000 vrouwen en kinderen werden door Soekarno en zijn militairen op die manier in gijzeling gehouden om te voorkomen dat Nederlandse troepen zouden landen. Wij kregen uiteindelijk 11 Gurgha’s ter bescherming. Pas eind november konden de kampen geëvacueerd worden naar Semarang, waar de Engelsen en de Japanners(!) ons verder beschermden tegen de ‘extremisten’, want zo noemden wij de vrijheidsstrijders toen." Uiteindelijk vertrok de familie Van Bodegom, via Sri Lanka (Ceylon toen-red.) pas in mei 1946 naar Nederland. Zijn vader die de Birmaspoorweg had overleefd, had zich pas enkele maanden eerder bij zijn gezin kunnen voegen.
Van Bodegom neemt een genuanceerd standpunt in wat betreft ‘de politionele’ acties van het Nederlandse leger tegen de vrijheidsstrijders. “Lou de Jong (historicus-red.) werd wel verweten dat hij in zijn werk daarover zaken (oorlogsmisdrijven-red.) had aangeroerd die hij niet had mogen zeggen. Maar het zijn zaken die wel gebeurd zijn. Aan de andere kant begrijp ik ook degenen die na de oorlog in Indonesië gevochten hebben. Ze willen niet het idee hebben dat ze voor niets hebben gevochten. Het heeft niet voor niets zo’n lange tijd geduurd voordat Nederland 17 augustus erkende als de dag van onafhankelijkheid van Indonesië.”
De betekenis van de Indië-herdenking op 15 augustus ligt volgens Van Bodegom in het terugdenken aan ‘een benarde en ellendige tijd’ die velen niet overleefd hebben. Zij die het wel overleefd hebben, worstelen vaak nog altijd met het verleden. “Maar herdenken is vooral nodig opdat zoiets niet meer gebeurt. West-Europa kent ook al 60 jaar vrede.” Van Bodegom toont zich optimistisch over het instandhouden van deze nationale feestdag. “De herdenking begint ook steeds meer bij de jongere generaties te leven. Via het project ‘Erfgoed van de oorlog’ en het op te richten Indisch Herinneringscentrum zullen meer mensen er kennis mee gaan maken. Maar wij hopen natuurlijk ook dat onze kleinkinderen uiteindelijk de fakkel zullen overnemen. En de interesse is er.”