Maandag 21 januari 2008 | Sergej Kreso
Hoewel vaak wordt aangenomen dat immigranten uit niet-westerse samenlevingen anders denken over familierelaties dan Nederlanders, is er tot nu toe maar weinig wetenschappelijk onderzoek dat dit staaft. Het onderzoek ‘Ethnic Diversity in Intergenerational Solidarity’ van Djamila Schans is één van de eerste wetenschappelijke analyses op dit terrein. Ze laat zien dat migranten en autochtone Nederlanders wel verschillend dénken over de zorg voor ouders, maar dat ze in hun gedrag veel minder van elkaar verschillen.
“De doelstelling in deze studie was om attitudes en gedrag ten aanzien van solidariteit tussen ouders en kinderen, ofwel intergenerationele solidariteit, tussen immigranten en autochtone Nederlanders te vergelijken. Hiermee wilden wij de theorie over de afnemende rol van familie in westerse samenlevingen en collectivistische familie-idealen bij immigranten testen. We hebben ook onderzocht wat de factoren zijn die deze relaties beïnvloeden bij verschillende generaties”, zegt Schans in het onderzoek.
Haar studie laat zien dat Turken en Marokkanen het veel vaker eens zijn met stellingen over intergenerationele solidariteit dan Nederlanders. Oudere immigranten verwachten over het algemeen meer bezoek en zorg van hun kinderen. Zij zien het inwonen bij kinderen veel meer als vanzelfsprekend dan Nederlandse ouders. "Surinamers en Antillianen die aan het onderzoek meededen, waren het minder eens met onze stellingen over intergenerationele solidariteit dan Turken en Marokkanen, maar wel nog altijd meer dan Nederlanders."
Toch zijn verschillen in overtuiging nog geen garantie voor verschillen in gedrag. Wat blijft van de culturele verschillen in de praktijk over? “Resultaten die gebaseerd zijn op daadwerkelijk gegeven of gekregen steun laten een ander patroon zien. Hier is etniciteit niet van zo’n doorslaggevende betekenis als bij attitudes het geval is. Hoewel het patroon voor de contactfrequentie tussen ouders en kinderen nog hetzelfde is - het hoogst in de Turkse en Marokkaanse groep en het laagst in de Nederlandse - lijken verschillen in praktische steunverlening van kinderen aan ouders op het eerste gezicht niet significant”, aldus Schans.
De resultaten van Schans’ onderzoek laten enkele problemen in de relaties tussen ouders en kinderen zien die uniek zijn voor migrantenfamilies. Vergeleken met Nederlandse ouders zijn allochtone ouderen vaker afhankelijk van de steun van hun kinderen door taalproblemen en onbekendheid met andere vormen van geïnstitutionaliseerde hulp. Deze afhankelijkheid van ouders ten aanzien van hun kinderen kan een verandering in machtsrelaties binnen de familie veroorzaken die kan leiden tot spanningen in de relatie tussen de generaties.
“Tegelijkertijd laat ons onderzoek zien dat de intergenerationele solidariteit door immigranten wordt gezien als een zeer positief kenmerk van hun cultuur. Dit is voor hen een bron van positieve zelfidentificatie. In een tijd waarin migrantenculturen vaak negatief in het nieuws komen, werd door onze respondenten sterk de nadruk gelegd op de ‘superieure’ familiebanden in hun eigen cultuur. Toch onderhouden autochtone Nederlanders, die in het algemeen minder voelen voor de gestelde normen over intergenerationele solidariteit, ook soms heel sterke banden binnen hun families.”
Djamila Schans promoveerde op 7 december 2007 aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Zij is werkzaam bij het Utrecht University College.