Donderdag 22 mei 2008 | Paul Brassé
Een onderzoeker wil uitspraken doen over een bevolkingsgroep door een beperkt aantal mensen te ondervragen. Het geijkte instrument daarvoor is een steekproef. De basis voor een steekproef is een bestand of database waarin alle leden van die populatie zijn opgenomen. Het laten trekken van een steekproef uit bijvoorbeeld de Gemeentelijke Basisadministratie kost tijd en geld, zaken die onderzoekers niet altijd voorhanden hebben.
Straatinterviews lijken een praktisch en financieel aantrekkelijk alternatief. Stuur een ploeg interviewers de straat op met een vragenlijst, en binnen een of enkele dagen kunnen de gegevens verzameld en verwerkt zijn. De assumptie daarbij is dat het willekeurig aanspreken van voorbijgangers ertoe leidt dat de uiteindelijke groep respondenten representatief is voor een grotere populatie.
Ook journalisten gaan graag ‘de straat op’ om de meningen te peilen; de vox pop in televisietermen. Ook uit deze beelden en artikelen kan een vertekend beeld ontstaan. Straatinterviews - toegepast in de binnenstad op koopzondag - kunnen geschikt zijn voor gefundeerde uitspraken over het winkelende publiek. Maar een onderzoeker of journalist gaat te kort door de bocht als hij op basis daarvan algemene uitspraken doet over de Nederlandse bevolking of delen ervan.
De passanten waaruit enquêteurs hun respondenten rekruteren, vormen geen dwarsdoorsnede van de bevolking. Onder de straatbevolking bevinden zich – afhankelijk van de plek en het tijdstip van de dag of week – verhoudingsgewijs méér jongeren en scholieren, gepensioneerden, of werklozen, en minder werkenden, ouden van dagen of islamitische vrouwen. Onderzoekers proberen dit gegeven te ondervangen door de enquêteurs gerichte opdrachten mee te geven (in de vorm van quota voor kenmerken als sekse, leeftijd, opleiding) en door tijdens de analyse van de uitkomsten wegingen toe te passen. Maar dat garandeert nog niet dat de uitkomsten daadwerkelijk representatief zijn.
Niet alleen de samenstelling van de steekproef is problematisch bij straatinterviews. Lang niet elke voorbijganger heeft zin in een interview. Zolang deze ‘weigeraars’ zich niet onderscheiden van de respondenten, lijkt er weinig aan de hand. Maar is het niet denkbaar dat mensen die haast hebben, vaker weigeren mee te doen, en dat die groep afwijkt van degenen die wel willen meewerken?
Verder hebben enquêteurs de neiging vooral mensen te benaderen van wie ze inschatten dat ze mee willen werken, mensen die op hen lijken, etc. Ook deze - vaak onbewuste - subjectieve houding van enquêteurs kan de representativiteit aantasten.
In straatinterviews staat de kwaliteit van de antwoorden en daarmee van de onderzoeksuitkomsten onder (tijds)druk. Sommige respondenten zijn gehaast, nemen niet de tijd om goed naar de vragen te luisteren. Anderen worden bij de beantwoording beïnvloed door metgezellen of omstanders. Ook de enquêteurs zelf vormen een kwaliteitsrisico: omdat ze gehaast moeten werken en hun quotum willen halen, worden ze verleid om halve of ontbrekende gegevens alsnog in te vullen. En niemand die dat afdoende kan controleren.
Mits juist ingezet en toegepast is het straatinterview een bruikbare methode van gegevensverzameling. Maar er zijn veel valkuilen. De representativiteit van onderzoeken onder allochtonen, waarbij alleen gebruik gemaakt van straatinterviews, staat zeker ter discussie. Toch haalt menig onderzoek dat zich uitsluitend op deze methode baseert de krant en de media. Dat levert koppen op als: ‘Turkse kiezer blijft CDA en PvdA trouw’ en ‘Allochtoon weet dat Nederland doden herdenkt’.
Onderzoekers die zich van deze methodiek bedienen, besteden weinig aandacht aan de valkuilen en plaatsen geen kanttekeningen bij de kwaliteit van de gegevens die zijn verzameld. Bij de opdrachtgever, de journalisten en de lezers moeten in dat geval alarmbellen gaan rinkelen.