zaterdag 31 juli 2010

Nederland handhaaft visumplicht Turkse dienstverleners

Hoewel het Europese Hof van Justitie onlangs bepaalde dat Duitsland geen visum mag vragen van Turkse dienstverleners (vrachtwagenchauffeurs, kappers, automonteurs, loodgieters en vele anderen) blijft Nederland dat voorlopig wel doen. Dat zei minister Maxime Verhagen vorige week tijdens een spoeddebat in de Tweede Kamer dat was aangevraagd door de Partij voor de Vrijheid (PVV).

Donderdag 19 maart 2009 | Arjan Schuiling

beeld/2009/03/vv.jpg - visum

Volgens PVV-woordvoerder Sietse Fritsma betekent de uitspraak dat ook Nederland geen visum mag vragen aan Turkse dienstverleners. De zaak bij het Europese Hof is aangespannen door twee Turkse vrachtwagenchauffeurs die dertien jaar geleden in Duitsland een transportbedrijf hebben opgezet. De twee Turken waren het helemaal zat dat hun chauffeurs telkens bij de grens in de rij moeten staan voor visa en verzochten om vrijstelling van de visumplicht met verwijzing naar het zogenaamde associatieverdrag tussen Turkije en Duitsland uit 1973. Het Europese Hof is met de Turkse vrachtwagenchauffeurs eens dat in dat verdrag staat dat het vrije verkeer van diensten niet mag verslechteren.
Omdat Nederland in 1973 samen met Duitsland, Italië, Luxemburg, België en Frankrijk de toenmalige EEG vormde gaat Fritsma er vanuit dat de uitspraak ook voor Nederland geldt. Zelfs als dit niet het geval mocht zijn dan zijn Nederland en Duitsland ‘Schengenlanden’ waartussen geen grenscontroles plaatsvinden en dus belet niets Turkse dienstverleners om vanuit Duitsland naar Nederland door te reizen. Fritsma vindt dit een ‘rampzalige’ situatie omdat ’70 miljoen Turken zich plotseling voor zullen doen als zakenlieden’ en ‘Nederlandse dienstverleners zullen in deze economisch barre tijden worden verdrongen door oneerlijke concurrentie’. De PVV-er diende een motie waarin de regering wordt opgeroepen de gevolgen van de uitspraak ongedaan te maken.
Minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie vindt dat Fritsma tamelijk ‘voorbarig’ is met zijn conclusies want allerlei deskundigen zijn nog aan het studeren op de gevolgen. Wat wel vaststaat is dat de uitspraak alleen betrekking heeft op dienstverleners en dat ook zonder visumplicht de Turkse dienstverleners geen recht hebben op vrije vestiging in Nederland. Het door Fritsma geschetste spookbeeld van ‘massa-immigratie’ is dan ook niet aan de orde, aldus Hirsch Ballin.
Rita Verdonk wilde van de minister weten hoe hij denkt te controleren aan de grens of iemand een dienstverlener is. Volgens haar is het grote nadeel van deze uitspraak dat een visum wordt afgegeven door de Nederlandse ambassade zodat Nederland grip heeft op het aantal inreizenden, maar door het vervallen van de visumplicht komt de inreiscontrole te liggen bij de grenscontrole en ‘die stelt niks voor’. Verdonk meldde ook nog tussen neus en lippen dat als het aan haar had gelegen dat het associatieverdrag met Turkije allang was opgezegd. Zij liep destijds als minister van Vreemdelingenzaken en Integratie op tegen obstakels uit dit verdrag bij het invoeren van de Wet Inburgering in het Buitenland.
CDA-woordvoerder Madeleine van Toorenburg zegt de indruk te hebben dat de uitspraak van het Europese Hof past binnen een trend waarin de EU de nationale lidstaten steeds minder ruimte laat om zelfstandig migratiebeleid te voeren. Nederland heeft bijvoorbeeld ook problemen met het juridisch overeind houden van de strenge eisen wat betreft gezinshereniging.
Op 17 maart verwierp  de Tweede Kamer twee moties die er beiden op gericht zijn de visumplicht voor Turkse dienstverleners in stand te houden. Naast de PVV heeft ook de VVD een dergelijke motie ingediend waarin ook de bepaling is opgenomen dat voor het instandhouden van de visumplicht desnoods een deel van het associatieverdrag met Turkije moet worden opgezegd.