Vrijdag 18 december 2009 | Mark Zaremba
Roolvink onderzocht gegevens uit databanken van verschillende instanties over een periode van 20 jaar, tussen 1989 en 2009. Ze ontdekte dat er de laatste jaren een sterke groei in het aantal Turks-Nederlandse ondernemers is geweest. Opvallend is dat de tweede generatie, die hier opgegroeid is, kiest voor meer verschillende sectoren dan hun ouders die nog in Turkije geboren en getogen zijn. ‘De oudere generatie had het veel moeilijker door dalende economische groei in de jaren tachtig. Ook spraken de immigranten de taal nog niet en hadden ze over het algemeen een lager opleidingsniveau dan de huidige generatie jonge Turkse-Nederlanders. Daarom koos de eerste generatie vaak voor de laagdrempelige horecabranche. Het is veel makkelijker om een café te beginnen dan een complex ict-bedrijf’, legt Roolvink uit.
Werkgevers
Tegenwoordig beginnen veel jonge Turkse Nederlanders een bedrijf in de zakelijke dienstverlening, vervoer, communicatie en de bouw. De oudere Turkse ondernemers profiteren daar ook van doordat zij gebruik kunnen maken van deze diensten. Roolvink vermoedt dat het aantal bedrijven met een Turkse achtergrond verder zal toenemen in de toekomst. ‘De zelfstandigheid is niet alleen goed voor de ondernemer zelf, maar ook voor de kinderen. Die hebben meer kansen in het onderwijs en werk.’ Ook is het Turkse ondernemerschap goed voor de integratie omdat autochtone Nederlanders werk vinden in deze organisaties. Zo komen de twee bevolkingsgroepen met elkaar in contact en leren ze van elkaar. Turks-Nederlandse bedrijven hebben volgens het onderzoek al 53.167 banen gecreëerd in 2009.
Turkse troef
De tweede generatie immigranten gaat steeds meer lijken op de autochtone bevolking, stelt Roolvink. Toch geeft hun Turkse achtergrond deze jongeren een
belangrijke troef in handen: ‘Zij kennen zowel de Turkse als de Nederlandse cultuur. Dat is een voordeel als je zowel in Turkije als Nederland handelsbetrekkingen hebt. De omgangsvormen tussen ondernemers verschillen namelijk enorm per land. In die zin hebben ze een voorsprong op autochtone ondernemers.’ Mogelijk profiteert de Turkse economie daar weer van, maar ‘dat ligt buiten mijn onderzoek’, zegt ze, ‘Dat is iets wat een andere wetenschapper zou kunnen oppakken.’
Minder ondernemend?
Andere nieuwsmedia benadrukten een passage in het onderzoek waarin staat dat de tweede generatie Turks-Nederlanders minder ondernemend is, maar dat vindt Roolvink te kort door de bocht. ‘Dat is in absolute cijfers wel zo, maar daar zijn redenen voor. Als je nog maar 17 bent, richt je meestal geen bedrijf op. Een heel groot deel van die groep is gewoon nog jong. Ook groeit de bevolking van tweedegeneratie Turkse Nederlanders sneller. Daarnaast speelt mee dat de tweede generatie hoger is opgeleid, waardoor er veel meer banen bereikbaar zijn en waardoor sommige mensen zeggen: ik hoef niet zo nodig te ondernemen.’
Het onderzoek van Roolvink is gedaan in opdracht van de Federatie van Jonge Ondernemers in Nederland HOGIAF. De organisatie zegt dat de resultaten kunnen leiden tot ‘het beter benutten van de potentie van Turks-Nederlandse ondernemers door de overheid en andere instellingen.’
Het onderzoek 'De bijdrage van het Turks-Nederlandse ondernemerschap aan de Nederlandse Economie' is te verkrijgen via het Kennispunt Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht.